Dat haar besmeurde blauwe laarsjes het bed vol vuil
stampen, dat ze zich dan met een elegante boog
opdrukt in een handstand tegen de muur, deert mij
niet. Dat ze daarbij enigszins rood aanloopt, puft,
hijgt, maakt haar opwindender dan ooit tevoren.
Wennen is het wanneer ze ondertussen kreunend
uitroept, dat ze haar lenigheid, de kopstand, oefent
voor later, wanneer na haar dood de as in een houten
zandloper moet, testamentair vastgelegd. Zodat ze
dan eeuwig op mijn salontafel beweegt.
