Ik hou sowieso al niet van telefoneren. Ik ben er ook heel erg slecht in. In praten tegen een metalen ding in de hoop dat je toehoorder alles verstaat. Wanneer je moet hoesten, doe je het voorzichtig, met de schrik de trommelvliezen van je gesprekspartner aan stukken te blazen. En aan het einde van het gesprek ben je twee kilo slanker geworden van het nerveuze ijsberen door de kamer. Achteraf puf je nog een kwartiertje uit. Het gaat niet goed tussen de telefoon en mij.
Zeker niet als het draait om telefonische interviews. Wanneer de interviewer een vraag stelt kan je de stilte en bedenktijd niet té lang laten duren, of hij vreest dat je in slaap bent gevallen. Ondertussen staar je naar de kamermuur in de hoop daar inspiratie te halen voor je wervelende antwoord dat de telefoondraden rood doet opgloeien van de spanning. Daar slaag je nooit in. Je formuleert scherp door de bocht, excuseert je, verwoordt het anders, wijzigt nog een woord, aarzelt even, kucht en zegt dan ‘dat het daar wel ongeveer mee overeenkomt.’ Lees verder »
