Het is zoals met Sinterklaas: je hebt goede voornemens en een stuk of wat goede daden op je palmares staan. Je wensen zitten allemaal goed in je hoofd, maar dan moet je het verrekte ding nog schrijven: de brief. Je weet wat je wil, maar nog niet hoe. Je werkt de aanspreking uit, een beleefde inleiding (je formuleert enkele grappen voor Piet, en voor de vorm vraag je naar Sinterklaas zijn gezondheidstoestand) en dan komt het heikele moment in je noeste arbeid: je vrààgt om iets. Een nieuwe fiets, een spelcomputer of zelfs – godbetert – een boek. Wat daarna komt is routine: schoenen voor de schouw draperen, een wortel zoeken, biertje erbij, even kwelen voor de kachel en dan één lange nacht waarin je de oren spitst in de hoop een paard op je dak te horen, of een frivool kunstje van het zwarte hulpje.
Vorige week tekende ik een contract bij Meulenhoff/Manteau voor een debuutroman. Ik heb tijdens het schrijven vannacht de lucht mooi oranje zien worden, alsof een mandarijn over me uithuilde. ‘Wij, mensen, zijn te bang om te overleven’, zo tikte de nacht zich verder. Laat het een mooie, lange brief worden.