Er waren er die zeiden dat het uit rancune was dat ik haar doodschoot. Of omdat ze niet tot haar dood van mij zou houden en ik zoiets niet kon verkroppen. Dat is niet waar. Zij hield op haar manier wel van mij, ze wist het alleen nog niet. Ik kan niet zeggen dat het per ongeluk gebeurde, dat het een ongelukkig malheur was dat niet had mogen plaatsvinden. Evenmin dat er geen liefde bij te pas kwam. Er waren wel degelijk gelukkige momenten vervuld met liefde voor haar die door mijn hoofden maalden toen ik de trekker overhaalde.
Moment nummer (1) blijft de dag dat ik haar met de schurftige hond als een handtas langs haar zijde geschaard, de straat over zag steken. De hond had geen naam, hij heette gewoon Hond en stonk zoals een hond moet stinken; uit zijn bek. Hij zag er verwaarloosd uit, maar dat was hij niet. Wel was het geen hond die kinderen wilden aaien, of op zijn neus natte kusjes wilden drukken. Zij deed dat, in de spaarzame minuten dat haar lippen zich van mijn gezicht loslieten, om mij daarna weer verder te zoenen.
Ze voerde me mee naar haar appartement waar ze toen nog verbleef, een barak die vrijpostig naast een drukke baan gebouwd stond. Moment nummer (2): ik dacht aan communisme, grootsteden, verlating en raamzelfmoorden. Ze woonde in n°48 hoewel de krakers van nummer 50 ook echt wel gastvrij zijn, zei ze. De prikkeldraad die de revolterende studenten spanden was niet om te choqueren, en al helemaal niet om hun marginaliteit te onderstrepen, preekte ze, maar logischerwijze en geheel terecht tegen de dieven. Hoe zou u zelf zijn.
Moment nummer (3) was wanneer zij zich voor het raam uitkleedde, met losse trekken in haar pols. Ze kleedde er haar stuursheid mee uit, de wrokkige blik in haar ogen liet ze met de kleren op het vochtige tapijt vallen. Het tapijt was vochtig van onze natte schoenen, dat lijkt een detail te zijn maar zo was het niet. Ik merkte op dat we wel zeven hoog zaten, maar de bewoners van de appartementsblok aan de overzijde van de drukke straat ons even goed konden bekijken als wij hen. We keken hun kleine kamers binnen, waar ze als mieren kronkelden rond een tafel, zich druk maakten in elkaar, vochten, in hun zetel zaten, werkten, lachten om elkaar, naar bed gingen, hun tanden poetsten, bidden, aan een computer zaten, afspraken maakten, dood gingen, vergeten ruzies bijlegden. Hier lagen honderden eilandjes van vlees opgestapeld, geïnventariseerd in een letterkast. Ze dreven langs elkaar heen.
Zij zei dat het niet erg was. Iedereen mag mijn borsten zien, zei ze.
En zo gaat het nog wel even door. Een fragment uit het verhaal “Doe je hals de groeten van mijn lippen” gepubliceerd en verder te lezen in het recent verschenen nummer van De Brakke Hond, nr. 99. Met werk van o.a. Joost Vandecasteele, Dennis Gaens (met het prachtige “Het is druk hier, in de ontwenningskliniek”) en Lies van Gasse.