Avond. Ik zit weer in dat café waar we licht -
jaren achter glazen hangen. Ja,
dat oude café, alle dagen hopen
dat de barman weer van je houdt (kost
je het tegenlicht dat zich niet bemoeit
met je afwezigheid). Ja, dat café is nog
steeds een scheur in de muur, bij warm weer
staan alle tafels schaakmat, bij storm
zijn we jonge honden. Dan schurken
we ons aan koffie en de krant waarna we opnieuw
de wereld in drie stappen verbeteren. Ja,
dat café, nog altijd verzinnen we zeven
revoluties op een nacht, tot de rook een oorlog in
onze ogen brandt. Het is geen misverstand
dat het voorjaar hier warmer binnen waait.
Schrijf me niet; ons drankzweet druipt nog jaren
fluisterend van de zoldering en elke dag
verkoop ik de juke-box mijn stuk verdriet.
Schrijf me niet; iedere ochtend is het nog altijd
handen zoeken, in dat café, geen heimwee,
neen, het is altijd donker in dit ontroerparcours.