Ivo Victoria heeft een nieuw boek uit, Gelukkig zijn we machteloos. Ivo vroeg enkele auteurs (Maartje Wortel, Rob Waumans, Marike Jager en ondergetekende) om een interpretatie of bijdrage over of voor het boek te schrijven en dit voor te dragen bij de boekpresentatie op 6 oktober 2011 in Amsterdam en op 8 oktober in Rotterdam, op het Geen Daden Maar Woorden Festival. Hieronder staat mijn tekst.
Net zoals de jongen uit Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalf-jarigen won en dat het me spijt en Ivo Victoria zelf, kom ik uit Edegem. Ook ik, zo mager als een fietspomp, heb in een veel te kleine short mijn knikkende knieën moeten vertonen in Fort V, aan de verspringbaan en met looprondjes langs de fit-o-meter. Ook ik ken de schaafwonden veroorzaakt door het Edegemse grind en de kinderlijke overmoed. Ik herinner me de aanblik van zijn beton en de geur van het asfalt in de zomer, de potsierlijke jaarmarkt ter bevordering van het welzijn van de plaatselijke middenstand, de roodwangschildpaddenplaag in de vijver van Fort V. Wat me van Edegem is bijgebleven is vooral mijn hartsgrondelijke hekel aan sport.
Ivo Vicoria schrijft in Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk won enzoverder over de Basiliek van Edegem, de trots van Edegem, op onze dorpsboulevard, onze eigen Champs-Èlysées. Die Basiliek wordt geflankeerd door de Grot, “een getrouwe kopie van de grot van Lourdes”, zo schrijft Ivo. “Waaraan Edegem haar nonreputatie als bedevaartsoord te danken heeft. Er heeft nooit een Mariabeeld ook maar een traan gelaten, geen lamme is er met dartele pasjes naar buiten komen dansen, geen blinde die er het licht heeft gezien. Maar het had gekund. En daar mogen Edegemnaren zich graag aan optrekken, aan dingen die hadden gekund.”
Volgens mijn grootmoeder heeft mijn betovergrootvader die getrouwe kopie van de grot van Lourdes gemaakt. Ofdat die grot nu een nonreputatie op het vlak van bedevaartsoorden heeft of niet, voor mijn grootmoeder is elke reputatie mooi meegenomen.
Verder schrijft Ivo dat Edegemnaren zich graag optrekken aan dingen die hadden gekund. Ik had altijd gedacht dat er op de zwarte markt grof geld viel te verdienen met het maken van getrouwe kopies. Als ik naar mijn familie kijk is dat blijkbaar niet op de markt van de grotten van Lourdes. Maar het had gekund.
Enfin. Ik had me opgetrokken aan het feit dat nagenoeg al mijn herinneringen over Edegem – de hartsgrondige hekel aan sport uitgezonderd – uit mijn geheugen gewist waren. Het had gekund. Tot in 2009 Hoe ik nimmer enzoverder verscheen.
Gelukkig zat er ongeveer twee jaar tussen het verschijnen van Hoe ik enzoverder en Gelukkig zijn we machteloos om het hoofdstuk Edegem op een serene manier weer af te sluiten. Het is mooi meegenomen dat Gelukkig zijn we machteloos niet over Edegem gaat, ondanks dat Edegem volgens een socio-economische enquête uit 2001 de op zes na leukste gemeente is om te wonen. In Gelukkig zijn we machteloos gaan schijnbaar onbestemde zaken als een vogel, een ruis intrigeren. Een dankbaar thema om het eens zo kalme slaapdorp Edegem te vergeten.
Tot op pagina 165.
Toen ik tijdens het lezen bij pagina 165 belandde gebeurde er iets eigenaardigs in mijn hoofd. Alsof er een klein draadje knapte. Ivo schrijft daar: “Ik dacht aan het lied dat die jongens daarstraks nog gezongen hadden: Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee! Toeval. Zeker. Maar ver ging deze Blauwvoet niet meer vliegen. Dat leek ondoenlijk. De storm zou zich vlug melden. Er ontstond een vreemdsoortig lichtspel in de wolken. Alsof er voor ons een spektakel werd opgevoerd.” In het hoofdstuk komt opnieuw de op handen zijnde storm aan bod, een metafoor voor de opgekropte woede en het verdriet van de hoofdpersonages, en bij uitbreiding mezelf. Die alinea vat het boek meesterlijk samen.
Afgelopen dinsdag moest ik een interview geven voor een klas mensen van middelbare leeftijd die leerden lezen en schrijven in tweedekansonderwijs. Het thema was: ‘Het beroep van de schrijver’. Er kwamen eerlijke, en empathische vragen. Één van de laatste vragen over ‘het beroep van de schrijver’ was van een bijzonder vriendelijke dame die vroeg: ‘Heeft u ooit bij de scouts gezeten.’ Toen moest ik weer aan die zinnetjes denken van Ivo’s nieuwste boek. Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!
Tussen mijn zes en mijn twaalf jaar stond ik aan de mastpaal op een veldje op Fort V in Edegem waar de zaterdagse bijeenkomst van KSA Parsival plaatsvond, een katholieke Vlaamse jeugdbeweging. Bij aanvang van de ‘vergadering’ – zoals we dat moesten noemen – zongen wij, van zes tot vijfentwintig jaar oud, met de hand op het hart De Blauwvoet. Ik heb het zes jaar lang, in absolute onwetendheid, een erg vrolijk jeugdnummertje gevonden.
Ik geef u enkele versregels mee: “Nu het lied der Vlaamse zonen,/ met zijn wilde noordertonen, / met het oude Vlaams Hoezee. / Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!”. Dan een regel waar ik me als jonge snaak wel in kon vinden: “Ja wij zijn de Vlamen zonen, / sterk van lijve, sterk van ziel”, en het lied eindigt met een krachtige: “leve God en Vlaanderland!”.
Afgelopen weekend las ik in De Standaard Magazine een interview met Siegfried Bracke, voormalig journalist van VRT, en nu lid van NVA. Hij zei: “Altijd oppassen als mensen liedjes beginnen te zingen’. Ik geef Siegfried voor één keer gelijk. Politieke hymnes hebben immers één ding gemeen: slechte teksten op slechte muziek.
In Gelukkig zijn we machteloos gaat het zinnetje ‘Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!’ veel verder dan een bruin scoutsverleden in een klein dorpje in Vlaanderen. Het vat de bekrompen geest van een familie samen. Het vertelt over de tijd van de angst om iets te verliezen en de dreiging waarin we leven. Waarin onze buurman, een vreemdeling of een voorbijganger vreemd wordt aangekeken. Gelukkig zijn we machteloos is een cluedo waarin de lezer ontdekt wie ijzig kalm blijft wanneer drama’s zich voltrekken. En het gaat goddank niet over Edegem. Ivo Victoria heeft een fantastisch boek geschreven dat de dorpskern verlaat en de wijde wereld in trekt, en moet.