Voor de zomer van 2011 vroeg het weekblad HUMO enkele schrijvers om drie nieuwe hoofdzonden te schrijven, aangezien zeven hoofdzonden waarschijnlijk betrekkelijk weinig zijn in tijden van moord, doodslag en slechte manieren. Douglas Coupland stelt die vraag in zijn nieuwe roman ‘Player one’. Na Dimitri Verhulst, Peter Verhelst en Paul Mennes, was het mijn beurt. Uit HUMO van 22 tot 28 juli:
In deze steeds sneller rond zijn as razende wereld, die ook nog eens steeds vaker uit de haak hangt, dient alles met de lichtsnelheid van The Stig uit Top Gear te gaan. Traagheid is uit den boze. Om niet uitentreure op de slenterblues van onze grootoudjes te moeten zien, stopt de instantgeneratie ze vakkundig weg in verzorgingstehuizen. Hun generaties lang overgeleverde recepten voor stoofschotels en pruttelpotjes worden ingeleverd voor voedsel dat onze kauwtijd tot een minimum moet herleiden: enter fast food. Ik heb weinig tegen fast food, wel tegen de illusie dat we ons als opgefokte draaitollen moeten gedragen.

We oefenen ook geen hobby’s meer uit maar zoeken rustpunten op, noodzakelijk, gezien onze problematische tijdsbeleving en het constante, inherente gevoel iets aan het missen te zijn. Yoga, Tai-Chi en Mindfulness – waar je middels de relaxatie-cd je eigenste emoties kan dissecteren. Niet zelden huren we een mental coach in waarmee we al mandala tekenend op zoek gaan naar een ‘nieuwe ik’ om deze verduivelde tijden te trotseren.
Exemplarisch voor ons ongeduld zijn de zeven tekstberichten en een boodschap op het antwoordapparaat van je gsm omdat je nog niet gereageerd hebt op een e-mail, net zoals we verlangen dat het nieuws ons onmiddellijk, hapklaar en bijtgaar bereikt en nog het liefst in catchy quotes. Gelukkig formuleren politici hun vaagtaal zo kernachtig mogelijk, dankzij de reclamejongen die als een poppenspeler de marionet bedient. De papieren krant wordt overbodig, nu we overspoeld worden met gecomprimeerde gedachten of aandachtskreten in enkele statusbalken. Net zoals onze opiniestukken in enkele twitterberichten van honderdveertig tekens kunnen worden samengevat.
Ik word moedeloos wanneer bij de klok van vijf een politieke nota wordt verspreid en deze enkele uren later in de televisiestudio van een duidingsprogramma kapot is geanalyseerd door enkele inderhaast opgetrommelde specialisten. Nog voor politici zijn gesprongen wordt hun val al berekend. De tijd dat het nieuws een venster op de wereld bood is voorbij, nieuwsankers hebben nu een verhaal te vertellen dat even entertainend dient te zijn als de laatste Harry Potter-film. Met wat koldermagie toveren we zelfs enkele extra kogels in de montage.
Met de eerste zomerdagen schieten ze als paddenstoelen uit de grond: de kleurrijke cocktailbars, parasols en een ton zand eromheen om met je teenslippers door te sloffen. Alles in een poging Copacabana na te bouwen. Bij deze ongegeneerde namaak, de hang naar het frivole, de nadrukkelijke sfeermakerij, ervaar ik een gevoel van lichtzinnigheid dat ik als droogstoppel maar moeilijk weet te plaatsen. Onwennig zit ik in zulke tijdelijke etablissementen op mijn rieten strandstoeltje te schuiven, of godbetert, schommel ik cocktails morsend met een misselijk gevoel in een hangmat. Bij dit soort hippe plekken, clubs waar je geweest moet zijn, spiegeltenten die je bezocht moet hebben, overvalt me steevast een troosteloos gevoel. Ik heb weinig tegen frivoliteit, wel als het als vermomming dient om kleurloze plekken, talkshows of mensen op te leuken.
Evenwel word ik treurig van het soort kirrende jongerenradio dat de doelgroep moet aanspreken waartoe ik leeftijdscategoriaal lijk toe te behoren. Eenheidsworst afgewisseld met oeverloos lullende peptalk van presentatoren met een beperkte woordenschat en een jolig accent. Af en toe een quizje of een grapje kan geen kwaad, maar soms lijkt het alsof ze de cd-bak niet meer vinden. Ik ben allergisch aan de goed bedoelde ethervervuiling.
Het moeilijkst heb ik het met de zogenaamde hipstercultuur, alternatieve hangjongeren wiens linkerhand vergroeid is met een koffiebeker van Starbucks en om de rechterarm een tas à la Mary Poppins hangend waaruit een schier eindeloze stroom aan accessoires komt. Van polaroidcamera tot opa’s zakhorloge tot het volledige oeuvre van Marcel Proust. Ze willen een vorm van diepzinnigheid naar voor schuiven, alsook een gespeeld je-m’en-foutisme dat wellicht een bodemloze put vol oppervlakkigheid verbergt.
Soms vraag ik me af of de hang naar het ijle niet samenhangt met de verveling en het holle leven. Als de schoolgaande jeugd in de middagpauze naar huis holt om met de broeksriem rond de hals te masturberen, vermoed ik dat er iets grondigs mis is. Als diezelfde generatie na schooltijd aanstekergas ligt te snuiven, vermoed ik dat er iets grondigs mis is. En als die jongeren voor mekaars achttiende verjaardag een auto kaduuk slaan en in brand steken bij wijze van verjaardagskaars, vermoed ik dat er iets heel grondigs mis is.
Nu de revoltes hoogtij vieren beseffen we eens te meer in een betoogcultuur te leven. Het favoriete pressiemiddel van de vakbonden – als beroepsbetogers bij uitstek – is gekidnapt door zowat iedereen die zijn mond nog kan openen of sluiten of wiens vingers nog niet verteerd zijn door de reuma. Onze straattaal en spandoek laten we echter steeds vaker links liggen. Onze opgehaalde neus vertonen we op het internet waar we onder een potsierlijke schuilnaam onze klaagzang jeremiëren. De reactievelden met verzamelde irritatie op het internet spelen niet meer voor mijnkanarie in deze eeuw van de wansmaak, maar blijken eerder onwelriekende mijnschachten die nodig gedempt moeten.
Het is in het licht van deze hoofdzonde dat ik wekelijks De Grote Vic Van Aelst Prijs uitreik aan diegene die op de minst ordentelijke en de meest discutabele manier zijn zegje doet. Kortom: ieder die zijn ego-opera kakelt maakt kans. Al de orakeltaal bij elkaar genomen regent het wekelijks nominaties in de media, die maar al te graag een piëdestal bovenhalen voor pseudo-politici die de boedelscheiding maar al te overijverig inzetten.
Onze reageerdrift was nog nooit zo groot en het vinden van zondebokken nooit zo makkelijk in een tijd waar men aan spuugkramp lijdt. Elke dag wordt er wel een Bekende Vlaming uitgevonden die beschimpt kan worden dankzij de pulp die snertbladen als Story en Dag Allemaal uitbulken. Het voedt een soort van populisme waar ik vies van ben, om nog maar te zwijgen van het recht op privacy dat schaamteloos genegeerd wordt.
Wat ik dan wel gelegitimeerd vind is het oneindig kankeren op de jeeps in de binnenstad, logge tanks die zijn gepantserd alsof Wereldoorlog III voor de deur staat. Bij het zien van de werkloze huisvrouwen die met hun pimped out chromed out pussywagons bakkersritjes ondernemen, bespringt me de drang om als een boomstammetje dwars over de weg te gaan liggen en op dramatische toon het ecologische programma van Greenpeace te scanderen.
Enfin, genoeg geklaagd, vandaag zet ik een frivool hoedje op, omarm ik het jachtige leven en vloek zoals alleen Vic Van Aelst dat kan.