In de zomer van 2010 organiseerden de Stichting voor Cultuur Maaseik vzw, de Stad Maaseik en de vzw Zinnebeeld een artistieke tocht doorheen het geheugen van Maaseik. Verspreid over de drie deelgemeenten Maaseik, Neeroeteren en Opoeteren vond een tentoonstelling onder de naam ‘Rappel 2010’ plaats. Een twintigtal kunstenaars uit heel het land namen er aan deel, waaronder Lara Mennes en Koen Vanmechelen. De tentoonstelling liep van 10 juli tot en met 5 september 2010.
Voor de Stad Maaseik schreef ik onderstaande gedicht, Je kan op een stad duizenden namen kleven maar geen enkele brengt haar meer tot leven, dat als drieluikvorm in en rond de stad werd aangebracht. Het eerste luik handelt over de Grote Markt in Maaseik, het tweede over de Sint-Lambertuskerk te Neeroeteren (waar een erg indrukwekkend Marianum hangt) om tot slot te eindigen op het kerkhof van Opoeteren. Vormgever Stijn Segers koos voor Gotische letters op een rode ondergrond. De rode doeken werden dan ook op de respectievelijke plaatsen aangebracht: het stadsplein, de kerk en op de begraafplaats.
Het was erg uitdagend om een gedicht te schrijven voor en over een stad waar ik niet bekend mee was. Maaseik ligt nabij het drielandenpunt, waar ik eerst over wilde schrijven, maar toen zag ik het dorpsplein, de kerk van Neeroeteren, en ik wist dat de geschiedenis van Maaseik erg religieus getint is. In 700 bouwde de Frankische edelman Adelhard, een grootgrondbezitter, een klooster met een houten kerkje voor zijn dochters. Maar dat zijn niet de enige religieuze overblijfselen, overal in het landschap vind je sporen terug.
De curatoren van de tentoonstelling wilden de herinnering centraal stellen en grepen terug naar het boek ‘Lieux de mémoire’, het bekende werk van de Franse historicus Pierre Nora. Pierre Nora dicht een grote rol toe aan het herinneringsbewustzijn. Hij introduceerde de idee van herinneringsplaatsen, die niet noodzakelijk fysiek hoeven te zijn en die verschillende functies kunnen hebben. Herinneringsplaatsen zijn plaatsen waaraan mensen hun identiteit ontlenen.
Ik hoopte dat de bewoners van Maaseik zich met onderstaande gedicht kunnen identificeren, maar de reacties waren positief. Het gedicht verscheen ook in ‘Waakzaam‘.
JE KAN OP EEN STAD DUIZENDEN NAMEN KLEVEN MAAR GEEN ENKELE BRENGT HAAR MEER TOT LEVEN
I.
Je kan op een stad duizenden namen kleven
maar geen enkele brengt haar meer tot leven
dan hoe de kartelige oevers weerstand bieden
aan het woeste zwijgen van de rivier. De barst
in het land breekt nog net de markt niet, of het
zingende gepalaver dat als een knapkoek knarst.
II.
Geruisloos en rigoureus hangt zij als gesneden hout.
We proberen haar gezicht voor de geest te halen
maar verder dan wat op haar arm beweegt komen we
niet. Hier kweekt men splinters van het eikenhout en
vlecht men zijn vingers zoals een sjaal rond de hals,
vreest men zoals iedere moeder haar kroost omknelt.
III.
Wanneer de kolder en het gebonk van bokkenrijders
vanonder dit firmament zijn weggeëbd horen we het
zuchten alsof de zee hier weer stond, en het geaarzel
van de man of vrouw die in onze straten wordt gemist.
Het bezoek slaat een kruis, ook al ging de stekker uit de
hemel. De molen stokt, ze tellen het kreunen van de kist.