Elke maand is Inghels voor het universiteitsmagazine van de Universiteit van Antwerpen kroegbezoeker, of zoals Brel het ooit bezong, één van de nuttelozen van de nacht en bekijkt hij de bodem van zijn glas in een studentencafé. De columns verschijnen in het glossy universiteits- magazine Dwars en online. In maart bezocht hij café De Schacht. In hetzelfde nummer staat ook een interview over de verschenen bundel ‘Waakzaam‘.
De arm uit de kom slingerend tracht ik wanhopig de aandacht van één van de barmannen te trekken, twee uit teflon opgetrokken karikaturen, het moeten broers zijn, die met hun behendigheid bewijzen dat ze al sinds mensenheugenis café De Schacht bemannen. Het pand heeft een middeleeuwse geschiedenis onder de leden, nog waarneembaar aan de houten balustrades van de tussenverdieping, maar heden heeft de drankzaal vooral een tafelvoetbaltafel die met neon helverlicht wordt en een tapkraan als centrum bij het kringdansen. Hoewel de barman ons vertelt dat het vanavond ‘gewoon pub’ is, worden klokslag negen uur de stoelen weggedragen en druppelt wat later een legertje donderdagavondstudenten binnen die, naar eigen zeggen, een suit-up-party houden. En inderdaad, ik bemerk op korte tijd heel wat gilets op grootvaders wijze als een minimalistisch driedelig pak.
De muziek is dan weer zo anachronistisch als Jezus met een polshorloge aan. Waar we bij het binnenkomen nog rond de oren werden geslaan met technobeats, krijgen we algauw het scala aan Eminem-songs. Gelardeerd met de gouden oude ‘Dansplaat’ van Brainpower. De Slim Shady jaagt ons naar boven, het tussenzaaltje op, waar we onze overjassen over een box draperen waardoor de hoge tonen worden uitgeschakeld en we op het ritme van de bassen bier kappen. Eminem wordt vakkundig afgewisseld met Shakira die balkt als een geitje met koudwatervrees. Op slag voelen we ons weer veertien, zwelgend in ons spleen, met weemoedigheid die niemand kon verklaren en des avonds komt, wanneer men slapen gaat. Vooralsnog laat ik me niet kisten door het genot van een portie wereldleed, maar teen ik opnieuw naar beneden onder het mom van research.
Ik bots algauw op de jongen die het meest opvalt, een wat gezetter lachebekje dat de clown uithangt met een roze cowboyhoed op en een wat groot uitgevallen handtas van Marc Jacobs in de hand.
‘Waarom de hoed,’ vraag ik met luide stem, om boven de derderangsrijmpjes van de hiphopper te komen.
‘Aaah!’ roept hij uit. ‘Wel, ik ben nogal een figuur. Echt een figuur.’
‘Wat bedoel je met ‘een figuur’?’ vraag ik welwillend.
‘Awel, een figuur,’ antwoordt hij. ‘Thomas,’ roept hij plots over mijn schouder. ‘Thomas, ik ben nogal een figuur, hein.’ Ik zie Thomas vanop een afstandje even zwaaien ter kennisgeving, of was het een gebaar van bevestiging?
‘Maar wat bedoel je met die figuur?’
‘Ah, contrair, hein,’ legt de roze cowboyhoed uit. ‘Ik ben contrair, tegendraads. Ik ben een figuur.’
‘Aha.’
‘Wel, zie nu. Het is een suit-up-party, maar ik dacht, ik zet een hoed op en neem een suitcase van Marc Jacobs mee. Dan heb ik sowieso gewonnen. Dat is contrair.’ Ik neem afscheid zonder te vragen wat hij nu eigenlijk gewonnen heeft. Maar misschien is dat ook contrair; het leven als een wedstrijd zien zonder dat je iets zal krijgen.
Wanneer ik het toilet bezoek en voor het urinoir de gevleugelde woorden van Cowboyhoed overpeins, zie ik de affiche van de Tour de France hangen. De foto op de poster beeldt enkele vooroorlogse wielrenners af die met de bierpul in de hand aan de schaft beginnen. Het is een aankondiging voor een kroegentocht als een tour de farce, met een palmares aan prijzen zoals: de roze trui voor de dames, de witte trui voor eerstejaars, de gele trui voor wie het dichtst de intoxinatiegrens bereikt en een groene trui voor wie zwelgt zonder tussendoor te ademen.
Mijn hoofd begint te tollen in de toiletten, overal de affiches, flyers, spandoeken ter aankondiging van cantussen, feestjes op woensdagen en donderdagen, in kelders, pubs, cafés. Agendaplannen die als dekmantels over de schouders van de nuttelozen van de nacht hangen. Ik krijg mededogen met hen die van feest naar tapkraan struinen, met groeiende wallen onder de ogen. Waar Remco Campert nog schreef: “We stampten op de grond en er groeide een feest” als ode aan het spontane leven, leven de nuttelozen als excuustruzen in de nacht, afgewend van de dag. Op de tonen van ‘Deze neger komt zo hard’ van De jeugd van tegenwoordig, duik ik dieper de nacht in, op zoek naar een bestemming.