Maarten Inghels

is dichter, schrijver en coördinator van de Eenzame Uitvaart te Antwerpen.

Inghels (Borgerhout, °1988) schreef poëzie, columns en kortverhalen voor diverse literaire tijdschriften en magazines en treedt regelmatig op met eigen werk (o.a. Koningsblauw, De Nacht van de Poëzie, Crossing Border en Wintertuin). Verschillende gedichten werden al naar het Engels vertaald.

Eind 2008 verscheen zijn debuutbundel Tumult als zeventiende deeltje in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De recensies stapelden zich op: “een moment van klaarheid” volgens HUMO, “een belofte” volgens De Morgen of zoals Cutting Edge het stelde: “Tumult' is zelden een aangenaam geluid, maar Inghels heeft het klaargespeeld.”

Hij is coördinator van de Eenzame Uitvaart in Antwerpen en schrijft columns voor het universiteitsmagazine Dwars van de Universiteit Antwerpen.
Zijn tweede dichtbundel 'Waakzaam' verscheen in maart 2011 bij De Bezige Bij Antwerpen en kaart de impasse aan; in kritische verzen stelt hij vragen bij de revoluties, onze sloganeske identiteitscrisis en de frivoliteitscultuur. Ook trad Inghels sinds de editie van 2010 al twee maal als curator op voor het internationale Felix Poetry Festival in Antwerpen. (Foto: Koen Broos)

‘In de bladstille Vlaamse letteren de meest opmerkelijke debutant sinds jaren.’ Humo

"Inghels weet precies zijn vingers op de zwerende plekken van onze maatschappij te leggen. Vlammende betogen, prozagedichten waarbij je moet happen naar adem, die je doen knikken en instemmen. Die je tegelijk een ongemakkelijk gevoel geven. Die je een beetje beschaamd doen grinniken." Passionate Magazine
 

Beschaafd roepen

on March 22, 2009in Column.

Een man op leeftijd kaffert zijn vrouw in de rolstoel uit. Ze kruipt niet snel genoeg de auto uit. Haar benen willen niet meer gemakkelijk de deur uitzwaaien. Ze heeft een handje hulp nodig bij het verplaatsen van haar zitvlak van de autobank naar de rolstoel. Haar man ziet het met lede ogen en veel gezucht en geblaas aan. De weinige tijd die er nog rest in zijn leven mag geen kreupeltijd worden. Hij tiert dat het sneller moet, en liefst met meer elegantie. In zijn laatste dagen hecht hij veel belang aan beschaving. Met één hand houdt hij het portier van de auto open, als een gentleman, de andere hand rust op zijn heupen. Ook daar is de reuma ingeslopen, behalve in de tong. Die lalt en bralt voldoende, trotseert de tijd. De vrouw moet zijn liefde voor haar niet zoeken in een eenvoudig gebaar, een bloemetje, maar in zijn brulspraak. Daarin leeft hij nog het meest voor zijn vrouw.

Op de televisie zie ik een buurtbewoner die problemen heeft met de amateurwielrenner. Ze schreeuwen te luid en onbeschoft. Ze gebruiken geen fietsbel wanneer men adem tekort komt om te roepen. De amateurwielrenner die de redactie van het debatprogramma liet opdraven voor een recht van antwoord goochelt met woorden als verdraagzaamheid en veiligheid. Er worden filmpjes getoond waarbij de buurtbewoner in het midden van het fietspad gaat staan om zijn probleem te bewijzen. Een troepje spakenbijters zoeft voorbij, hun gestroomlijnde lijven klieven de lucht, er is geen geluid behalve een verwaaide ‘ai’ uit hun vertrokken monden, een piratenroep, een aanbeveling om het pad vrij te maken. Behendig manoeuvreren ze langs de koppige man, hij verroert zich niet. Een laatste plukje haar waait verloren op zijn hoofd. Ook hij maakt van zijn laatste dagen gebruik om beschaving aan te leren. De buurtbewoner maakt een pruillip en probeert veelbetekenend naar de camera te kijken. ‘Er lopen hier kinderen,’ zegt hij. Aan het einde van het programma geeft de man een fietsbel aan de wegpiraten. Nooit meer roepen, waarschuwt hij.

We roepen niet alleen om aandacht, maar om bevestiging dat we er zijn, dat we bestaan, dat we echt zijn gebeurd. Beschaafd roepen is een kunst. Ik hou niet van het wellustige baltsgedrag van de overrijpe bouwvakker en het bijhorende geschal. Ze lopen als drachtige kalkoenen over de werf en de stellingen: ‘kolekolekolekolekekekek.’ Als Hannibal over de Alpen. Ze gaan in dialoog met hun radio’s, met het lawaai van betonmolens die door een kraan de werf op worden geslingerd, met nieuwsgierige passanten. Ze roepen vanuit hun torens, bewaken ze met de tong.

Neen, laat ons in stilte roepen, in de luwte, fluisterend, dat we bestaan. Dat we echt zijn gebeurd.

#hashtag:
Deel dit artikel: