Mijn moeder bestuurt glunderend de auto.
‘De postbode heeft je herkend,’ zegt ze luid. Ze zou het willen gillen, denk ik, of kirren. Maar mijn moeder kirt nooit.
‘Hoe, herkend?’ vraag ik. Ik weet niet eens de naam van de postbode. Grijs haar, herinner ik me, rond de veertig. Of hij kan ondertussen alweer ingeruild zijn voor een andere. Van jonger kaliber.
‘Hij kwam een pakje leveren,’ antwoordt ze enthousiast; ‘en zei dat hij je herkend had op televisie. Ik had het postpakketje al in ontvangst had genomen maar hij bleef voor de deur staan en dramde door over dat-ie het knap vond. Allemaal knap, hoe je dat deed.’ Ik wist niet goed wat te zeggen. De postbode had ik alweer zes maanden niet meer gezien, maar soms levert hij bij mijn moeder nog post voor me. Moest ik in de toekomst, als ik hem een keer zag, mijn hand eens opsteken, een keer wuiven, misschien iets zeggen? Verlangde hij dat?