Ik ben al niet zo goed met fotografen. Ze laten je gekunstelde houdingen aannemen waarvan je niet wist dat je ze had. Circuskunsten, apentrekken, gymnastiekbewegingen. Ze vragen om naar dààr te kijken, of naar hìer, maar waar dat is weet je nooit. Je voeten staan altijd te recht, je handen te krom, je moet lachen maar niet teveel, kijk niet recht maar doe het schuin. Pasfoto’s zijn al een huzarenklus, al gaat het dan nog maar om postzegelformaat. “Het artikel is 20% tekst en 80% foto,” zeiden ze; “de fotograaf komt morgen langs.” De plaats van afspraak was Berchem Station, en op bus 32 ernaartoe, zag je het landschap wit verzilverd liggen, na zeven dagen ijstijd. -7°C was het, en erg warm krijg je het niet van poseren. Naast de Singel ligt er een bosje, een schimmelstrook groen, een soort buffer voor de autosnelweg. Van daaruit hoor je de auto’s op de snelweg razen, maar in het bos was het rustig. Alle mussen waren dood en de vijvervissen zaten onder een laag ijs. Wat verderop was een meisje de sneeuw aan het fotograferen. Ik vermoedde dat ze erg op de kadrering lette, anders zouden de foto’s maar gewoontjes uitvallen, en erg wit.
Na een toertje rond de vijver en wat poseren aan drie bomen besloten we de vijver op te gaan. Het uitzicht op het ijs was bloedmooi. Op alle dingen zat een wit korstje. Ik had nog niet echt moeten poseren, gewoon wat in het rond staren en de sneeuw deed zijn werk op de gevoelige plaat. Ik voelde me net de sneeuwvos die door National Geographic gefilmd wordt, net wanneer die vanuit zijn ondergrondse nest komt piepen. We stonden al met één voet op het ijs en gelijk met ons kwamen er plots drie gemeentewerkers aan de overzijde ook het ijs op. Ze hadden een kettingzaag bij en lieten deze snel in het ijs snijden waarop we wat over-en-weer riepen.
“Is het ijs dik genoeg,” vroegen we.
“Nee,” zei één van de mannen zonder kettingzaag, hij liep verder het ijs op naar ons toe; “We komen controleren. Tien centimeter is niet overdreven en nog te weinig.” Hij stond inmiddels in het midden van de dichtgevroren vijver.
“Maar u staat erop,” antwoordden we; “dan is het toch ook veilig voor ons?”
“Vanmiddag om twee uur beslist de Burgemeester of het mag. Of je erop mag.” Ze haalden hun kettingzaag weer op, liepen met drie schuddebuikend naar het midden van de vijver, en klauterden daarna de oever op naar boven.
Uiteindelijk liepen we een rondje op de vijver en schuifelden steeds meer naar het midden toe. Op het einde stonden we haast aan de overzijde. En we moesten nog terug. Bloedmooie foto’s zouden het worden, dat wisten we. Daarom rekten we dit waagstuk en probeerden steeds een beter plekje op de vijver uit. Waar het licht beter lag, of waar het ijs wat meer kraakte maar de boom erachter wel mooi blonk. Schuifelend naar de oever waar mijn handschoenen lagen, voor mijn knalrode vingertoppen die een sigaret probeerden op te steken, dacht ik een vis onder het ijs weg te zien flitsen.