Het openbare leed {4}
Men belde me op. Of ik kon optreden in een bus. Ja, zei ik, er moest brood op de plank. Die bus ging ook nog rijden tijdens mijn voordracht. Dat zou wel lekker lopen, zei ik. Het was naar aanleiding van de museumtocht van Bert Anciaux waarbij je alle Vlaamse musea voor 1 euro kon bezoeken. Bij de woorden Anciaux en musea in één zin krijg ik altijd vreemde toevallen. De bus zou in twee dagen een marathon aan musea aandoen. In de bus zouden cultuurhongerige jongeren zich verzadigen aan de mooi uitgestippelde anciauxroute. Op Berts Webstek staat te lezen dat dit ‘een nieuwe renaissance voor ons erfgoed’ is. Ik wenste de jongeren bijna een podcast toe waarop Anciaux zijn cultuurbeleid zacht fluisterend uit de doeken deed.
Ik was een uur te vroeg. De bus was een uur te laat. Het museum waar ik opgepikt zou worden was het Middelheimmuseum. Dat ligt op de reisweg van bus 32 en een kwartiertje van bij me thuis. Ik was er nog nooit binnengelopen. Eigenlijk is het een park met beelden. Ik heb het vaak niet zo voor parken met beelden. Ik zie liever de mensen die zich vergapen aan een paar opgestapelde stenen. Nu was er een tentoonstelling van Leo Copers. Er werden op geregelde tijdstippen vuurinstallaties van hem getoond. In zulke dingen plannen ben ik niet zo goed. Het doet me denken aan de uitjes naar de Zoo waar de pinguïns om vier uur een paar vissen langs hun slokdarm rijgen maar je eigenlijk aan de andere kant van het dierenpark bij de Chimpansees staat. Leo Copers maakt werk met een thema; ‘de thematiek van geweld en spanning komt geregeld terug, maar wordt op een poëtische en esthetische manier verbeeld.’ Wat ik in het midden van park zag staan had weinig terug van geweld. Het waren zeven speakers in een kring naar elkaar toe gezet, met in het midden een eglantier. Uit de boxen kwam een vreemde conversatie van een op hol geslagen strijkkwartet, of een paar gegeselde katten. Het werk heette dan ook toepasselijke ‘Eglantier tussen de nachtegalen’. Een tiental meter verder stond een ijzeren stoeltje vanwaar je het harmonische ijzervogelorkestje kon beluisteren. Ik vond het prachtig. Ik wilde meteen gaan solliciteren voor parkwachter, die leken me niet meer te doen dan kuieren, vlaggen ophangen, kuieren, infoblaadjes bijvullen, kuieren, de weg naar de wc uitleggen en kuieren.
Dan snelden langs de smeedijzeren hekken dorstige cultuurhyena’s die ruggelings Leo Copers nachtegalen passeerden op weg naar de infobalie. Vier minuten later zaten ze alweer op de Anciauxbus. Ik deed, schommelend in het gangpad, door de krakerige busmicrofoon, mijn ding en werd keurig voor het Rubenshuis afgezet. In de verte zag ik een kleine stip van een troepje jongeren die Rubens wakker brulden. Wanneer ik bus 32 in omgekeerde richting naar huis nam, en deze een vergaarbak was van mensen van allerlei plumage die het allemaal ontzettend warm hadden zodat ze ook allemaal plasjes op de vloer druppelden, wist ik zeker dat ik nooit buschauffeur zou worden. Tussen al die zwetende lijven, oliebuiken en gsm-gesnater zag ik de ware aard van het openbare leed. Bij al die smeltende lichamen zag ik wat er écht gebeurt als veel mensen in een bus worden gestopt. Men gaat glimmen.

4 reacties ↓
1 Zezunja // 02.07.08 at 06:45
Kuieren is een fijn woord.
2 pp // 02.07.08 at 10:27
‘De ware aard van het openbare leed. (…) Men gaat glimmen.’
Mooie connotatie…
3 EvHoof // 02.07.08 at 15:48
Voordragen in een bus, dat klinkt als ene hele uitdaging. Vooral ’s ochtends tussen de forensen
4 CJPer // 04.07.08 at 11:12
u was fanatstisch!
zeker als je weet dat die jongeren het grooste deel van de tour met de tandem hebben afgelegd…
Geef je reactie