
(Beeld: Charlotte Peys)
Wil je mij aanschouwen, mijn lief.
Of neen, zachtjes hebben, vasthouden
mijn lief, voor een niet getelde minuut.
Een avond als die nog bestaat, en
een ochtend, mijn lief. Een frisse ochtend
zonder uren waar slaap enkel een plaat is
uit de kast. Je als een extra been uit mijn
warmte groeit, me opnieuw leert lopen.
Ik kuch, mijn lief, en vraag of ik je omweg
mag zijn. In dit stormweer een slapende hond
op de mat voor je deur, tenzij dit jou stoort.
Mag ik ruis zijn in je gehoor, mijn lief, de trap
opgaan, kloppen op je deur, hoesten, vragen;
heb je mij gehoord? Dat het niet lang zal
duren, niet langer dan dit gedicht; hebben,
mijn lief. Laat sporen na, een kater in mijn botten
van mij zachtjes te hebben
lief.


