letters die zwemmen {4}
Net wanneer ik tram 7 opstap bots ik tegen haar bungelende sporttas die al half van haar schouder gleed.
- Excuzzeer, zegt ze, ik moet hier zijn.
Ik loop haar nors voorbij, haar slonzige uiterlijk doet me namen verzinnen: Christine, Linda, Bernadette, Nadine, Marleen, Carinne, Veerle, Dominique, Martine, Fabienne, … Er is nog één bankje vrij in de tram. Ik moet een spurtje maken om het plaatsje te bemachtigen, dan zit ik naast het raam, dan kan ik rustig lezen zonder slonzige vrouwen die in je gezichtsveld hangen. Ze komt naast me zitten, natuurlijk. Haar sporttas, blauw met rode insignes, beland met een luide plof op haar schoot. Ze draagt haar haar kort, maar toch lijkt het verwilderd. Haar kleding is niet bepaald slordig, maar vooral uit de mode.
- Neen, het is genoeg geweest. Ik ga het haar zeggen. Ze is over de lijn gegaan, over de lijn! Zo kan het niet verder, ik verdraag veel, maar dit niet. Ik ga het haar subiet zeggen. Dat ze ermee moet ophouden. Ik ben gelukkig, ik laat niet meer met mij sollen.
Ze praat niet echt tegen haar sporttas, ze kijkt soms ook op en fluistert in de lucht, net iets te luid. Mijn ogen proberen door de linkerkant van mijn oogkassen te priemen, ik wil controleren of ze geen kleine hond in haar tas gestopt heeft. Ik haat mensen die beesten in tassen smokkelen op het openbaar vervoer. Ik haat de honden. Ik haat hun luide geblaf, hun scherpe geur en opdringerige aanwezigheid. Ik walg van nat hondenhaar. Ik kokhals van hun parmantig getrippel op de vloer.
- Kijk, ik ben gelukkig. Dat gaan ze niet van mij afpakken, niets pakken ze mij nog af. Ook niet met een instelling. Een instelling! Ik heb de helft van mijn leven al in een instelling gezeten. Mijn leven is een instelling! Ik ben gelukkig, daar moeten ze niets aan veranderen, ook zij niet. Neen, ik doe wat ik wil. Ik doe mijn eigen ding. Het is genoeg geweest.
Ze laat haar woorden soms schel door de tram klinken, op dit vroege ochtenduur ontsnappen glurende ogen bij de mensen. Haar woorden lijken soms nog na te stuiteren langs de ruiten die zachtjes aandampen. Haar letters laat ze zwemmen door de tram. Zij draagt ook een waas voor haar ogen. Kleine condens die haar zicht troebel maakt. Zo praat zij ’s ochtends tegen Christine, Linda, Bernadette, Nadine, Marleen, Carinne, Veerle, Dominique, Martine en Fabienne. Allemaal vrouwen achter haar eigen vitrine.
Ik meld me stipt op tijd aan op zijn bureau, vul mijn rijksregisternummer en adresgegevens in en schud zijn hand. Ons contract is gesloten. Hij zal me zes uur per dag opsluiten in de magazijnen van dit boekenhuis. Op gelijkvloers werken de fleurige Oxfam-vrouwen aan de balie. Zij kunnen glimlachen en stiekem boekentips bij de lezer influisteren. Zij kunnen koffie zetten en aangenaam luisteren naar hun baas, die vertelt over de laatste boeken die hij las. En over wie ook alweer die literaire prijs won. En in welk jaar. De baas zet mij in de kelders. Dat is een verstandige beslissing van een man met verantwoordelijkheden. Bestelbons voor boeken uit het magazijn zullen met een karretje langs rupsbandjes en een paar ingewikkelde liftjes in de kelders worden binnengeloodst, zodat ik ze kan uitzoeken, in bakken leg, en ze met een druk op de knop naar boven stuur. Naar de bevallige vrouwen achter de balie. Boeken weer terug in de rekken zetten mag ik ook.
- Maar, zegt hij, als je niet zeker bent over de correcte plaats van een boek hoef je het niet weg te zetten. Dat doen wij wel. Als je een boek verkeerd terug zet, vinden we het nooit, ik herhaal nooit, meer terug.
Mijn baas houdt van herhalen.
- Verdieping -1 is verboden terrein voor jou, ik herhaal; verboden terrein. Dat is onze waardevolle collectie boeken van voor 1800 en zit achter slot. Daar hebt u niets te zoeken, niets.
Ik wil de boeken graag zien, maar zwijg. Dan krijg ik van hem een rondleiding langs de drie kelderzalen. Hij praat over compacte boekenreksystemen met hendels om aan te draaien, en knoppen om in de duwen. Hij legt het liftje uit en vertelt een bloederig verhaal over een van mijn voorgangers die zichzelf in een bak naar de balie wilde transporteren.
- Nooit doen, nooit!
Hij toont me lichtschakelaars, neemt me mij de hand, sleurt me langs dertien verschillende notatiesystemen om de boeken te rangschikken en praat met een ijle stem die vaak overslaat over het bibliotheekwezen in het algemeen en wel bijzonder in zijn boekenhuis.
- Na acht uur de lift niet gebruiken, niet! We zijn dan wel zo gemoderniseerd als de pest, maar de lift hapert. De lift heeft de laatste weken zo gehaperd dat we geen risico’s kunnen nemen. Geen risico’s nemen wil zeggen de lift niet gebruiken na acht uur. Of u kan de nacht hier doorbrengen.
Uiteindelijk mag ik het allemaal zelf proberen. Ik zie een hele dag geen hond, hoor elk krakend boekenrek of piepend liftje aan alsof iemand van achter de boeken zal springen. Ik hoor trippelende beesten die genoeg hebben van papier. Ik smelt van de hitte die in de magazijnen hangt, hoe meer je daalt, hoe warmer. Ik zie de volledige jaargangen van het staatsblad van België voor mijn ogen dansen. Ik word gek van de hele Goethe-collectie in alle vertalingen, van alle tijdschriften na 1900 hier verzameld, van de rammelende rupsbandjes die nieuwe bestellingen aankondigen. De letters gaan zwemmen voor mijn ogen vandaag.
Om zes uur stipt meld ik me af aan de balie. Alle vrouwen die beter bij Oxfam zouden werken, met hun houten kraalkettingen en lappendekens als jurken, zijn naar huis. Eentje is nog overgebleven om de boel achter mij te sluiten. Het is zij. Ze draagt nog steeds de waas voor haar ogen. Het is Christine, Linda, Bernadette, Nadine, Marleen, Carinne, Veerle, Dominique, Martine en Fabienne. Ik mompel iets van goedenavond en laat de glazen deuren gauw achter me zwaaien. Ik loop de koude buitenlucht in, steek een sigaret op, denk aan letters en loop richting de rivier.
Aan het water zie ik de binnenvaartschippers, die samen met hun vlag de was kunnen buiten hangen, wapperend op het dek waar ook de auto met een kraan is op gehesen. Ze vervoeren tonnen zand (om dijken te dichten? Om huizen te bouwen?) of olie of hout of vrouwen die in Oxfamwinkels zullen werken. Ik zwaai naar allemaal, maar enkel de schippers met de kleinste boot zwaaien terug.
Een meisje met rode hakjes aan huppelt tien meter aan mijn linkerkant langs de kade. Ze staat er met een paar knullige vrienden maar zij heeft duidelijk de leiding.
- Wat een situaatsie, jongens toch, wat een situaatsie. Dit is ssssuper! Dit is verrukkulluk!
Ze laat bootjes gevouwen van hard karton vallen op het water, ze hebben servetjes als zeil en worden begeleid met het nodige gekir en gekraai.
- Daar, sie daar. Jongens toch, wat gaat ie hard en ver!
Per definitie gaan haar bootjes sneller, harder en zijn ze mooier dan die van haar puisterige vriendjes. Haar hakken maken vrolijke tikjes op de kasseien. Op het einde verliezen toch alle bootjes, ze lijken nog even te glimlachen, stuiken dan in elkaar en smelten op het wateroppervlak.
Wat overblijft zijn de letters die zwemmen.
Februari 2008

4 reacties ↓
1 wouter // 21.02.08 at 14:00
(Cru gezegd) het heeft een tijd geduurd voor ik het nog ’s kon zeggen maar: dit is echt goed.
O: en als het een stuk autobiografisch is: als je Hongaarse boeken vindt (ik bedoel: Hongaarse schrijvers, mag gerust in Eng., Fr., Ned. vertaling of liever nog tweetalig), laat me dan zeker iets weten.
2 EvHoof // 21.02.08 at 16:17
Heerlijk!
Een heerlijke ‘interior monologue’ vol passie en prachtige woorden. Mooi geschreven
3 koert // 28.02.08 at 22:44
ik ben zat en vind bovenstaandeblog best grappig. Ik beeld me de ranzige hond van Fabienne in.
4 Kansel // 05.03.08 at 17:19
Ik vind Koert wel coel denk ik…
Geef je reactie